Afdrukken

Experimenteren in Gestalt

In den beginne

In den beginne is het zijn. Het ‘zijn’ of ook wel het ‘zijnde’ is een filosofisch begrip waarmee alles wat zich aandient, ervaarbaar en ook niet direct ervaarbaar, aangeduid wordt. Het is datgene wat er al is voordat we er woorden aan geven. Het onderhavige artikel is een kritische rondgang met betrekking tot hoe Gestalt zich tot dit zijn verhoudt. De uitdaging die Gestalt hierbij aangaat wordt afgezet tegen de onmogelijkheid van de hele onderneming.

We geven woorden aan hetgeen we waarnemen. Een kindje voor in het zitje op de fiets wijst op hetgeen het waarneemt en probeert de passende woorden te vinden: koe, huis, vogel, boom etc. Het leert om onderscheid te maken in hetgeen het waarneemt en de dingen te benoemen. Naast de concreet waarneembare objecten leert het ook abstracte categorieën te benoemen: de koe en de vogel zijn allebei dieren. Het lichaam heeft tal van ledematen die met een bepaalde naam aangeduid worden. Met betrekking tot het lichaamsbeleven leert het om ervaringen te benoemen:  een wond kan pijn doen en het kan dorst hebben of zin hebben in een ijsje. Bij de verdere ontwikkeling van de taal en het bewustzijn leert het ook de relatie tot de ander te benoemen: deze kan lief of stout zijn, bij een bestendiging van de relatie kan de ander een vriendje of vriendinnetje gaan heten. De interne representatie in woorden is de basis van ons kennend bewustzijn. We gaan de wereld begrijpen en erover nadenken. De grens van dit kennend bewustzijn zal ik exploreren.

Voor zover de lezer niet vertrouwd is met de terminologie en de filosofische gedachtegang van Gestalt, zal het eerste hoofdstuk over de ‘Wijsheid van het veld’ mogelijk een groot beroep doen op zijn begripsvermogen. In dit hoofdstuk zal ik het uitgangspunt van Gestalt, het velddenken, beschouwen. Het eerste deel hiervan, ‘Het velddenken’, benadert het thema vanuit de filosofische invalshoek. Bij het deel, dat de titel ‘Golven in het veld’ draagt, zal ik meer de directe ervaring aanspreken. Beide benaderingen verbinden zich in het deel over ‘Religie en Gestalt’. In het hoofdstuk over het heil van Gestalttherapie belicht ik de helende werking van deze mensbenadering. De wankele basis van de (Gestalt)therapeut komt in het hoofdstuk ‘Gestalttherapeut buiten spel’ aan de orde. Bij ‘experimenten in het water’ komen vooral de beperkingen en risico’s van deze kenmerkende techniek van Gestalttherapie aan bod. Het afsluitende hoofdstuk met de titel ‘Ten gronde’ keert terug naar het begin van Gestalt als maatschappelijk experiment. Het hoopt aan te wakkeren tot een vlammende dialoog.


Wijsheid van het veld

In dit hoofdstuk wordt vanuit filosofisch perspectief gekeken naar de theoretische en ideologische uitgangspunten van Gestalt.


Het velddenken

Uitgangspunt in de theorie van Gestalt is het veldconcept. In dit begrip ‘veldconcept’ wordt hetgeen we als afzonderlijke eenheid waarnemen gezien als onderdeel van een groter geheel. Dit grote geheel noemen we het veld. De boom aan de rand van het weiland is meer dan alleen maar het object dat we als zodanig benoemen. Hij gedijt op deze specifieke plaats in dit heersende klimaat en in deze aanwezige grondsoort. Op vele manieren is hij, biologisch gezien, verbonden met zijn omgeving. Er zijn tal van micro-organismen en diertjes die hij voeding geeft en die hem omgekeerd ook voeden. Met de lucht vindt een actieve uitwisseling van koolstofdioxide en zuurstof plaats. Bij nadere beschouwing is datgene, wat we zo eenvoudig aanduiden als een boom, een wereld op zich die op meerdere niveaus in actieve wisselwerking staat met de omgeving. We begrijpen het verschijnsel boom beter als we de context erbij betrekken.

Op dezelfde wijze kunnen we de mens beter begrijpen wanneer we hem niet als afzonderlijke eenheid beschouwen. Hij staat, net als de boom, op fysiologisch niveau in actieve wisselwerking met zijn omgeving. Lucht wordt in en uitgeademd, de warmte wordt gereguleerd door bijvoorbeeld meer of minder te gaan zweten en geuren worden waargenomen en afgegeven. Zelfs op dit basaal lichamelijke niveau is er geen duidelijke afgrenzing te geven. Horen de ingeademde luchtmoleculen en opgenomen voedingsstoffen wel of niet tot het lichaam? Horen de afgescheiden geuren nog tot de lijfelijke aanwezigheid? Op overeenkomstige wijze kenmerken ook de andere niveaus zich door een actieve wisselwerking met de omgeving. Sociaal gezien wordt door de groep bepaald hoe we ons manifesteren. In ons ouderschap komen heel andere facetten naar voren dan in ons beroep. Met onze persoonlijke inbreng beïnvloeden we wat er in de sociale groep wel of niet gebeurt. Als we openhartig en belangstellend zijn creëren we een heel andere groepssfeer dan als we ons agressief en dominant opstellen. Uit de verschillende rollen en houdingen die we kunnen innemen in uiteenlopende groepen blijkt dat we niet eenduidig iets over een mens kunnen zeggen  zonder de sociale context erbij te betrekken. Door de mens te beschouwen in zijn biologisch/fysieke en emotionele/sociale veld zien we hoe het denken, voelen en gedragen hiermee verbonden is. Het voordeel van het veldconcept is dat ze een kader biedt voor een groot aantal interacterende variabelen. Ze kijkt niet naar enkele lineaire causale verbanden maar naar de interacterende beweging in het geheel. Het kader maakt een groot aantal verschijnselen in hun onderlinge samenhang zichtbaar.

Het individu wordt vanuit het veldperspectief niet beschouwd als een zelfstandig af te grenzen eenheid maar als onderdeel van het grote geheel. Wat we denken, voelen en doen wordt bepaald door het veld waarin we verkeren. We zijn echter geen willoos voorwerp dat volledig bepaald wordt door het veld. We maken er zelf deel van uit. We beïnvloeden zelf, als individu, het veld. Er is sprake van een wisselwerking. Op het eerste gezicht is dit een logische en vanzelfsprekende gedachtengang. Bij nadere beschouwing zijn we met deze formulering echter verstrikt in een paradox. Hoe kunnen we tegelijkertijd het veld vormen en eruit voortkomen?

Een zelfde paradox komen we tegen bij het theologische vraagstuk van de ongeschapen schepper. Wie heeft de schepper, die alles geschapen heeft, geschapen? Dat dit een kwestie is die de mensheid al sinds mensenheugenis bezig houdt blijkt uit de vele mythologische verhalen uit diverse religies waarin dit dilemma vaak in de meest onwaarschijnlijke constructies verwoord wordt. Het fundamentele dilemma waar theologen mee worstelen komen we tegen in ons leven van alledag: bepaal ik zelf hoe mijn leven er uit ziet of wordt dat door mijn situatie bepaald? Zijn mijn kinderen voortgekomen uit mijn weloverwogen keuze of heeft mijn biologische drang en de verwachtingen van mijn partner en familie hiertoe de aanzet gegeven? Hoe is de keuze voor mijn beroep tot stand gekomen? Heb ik dat werk bewust gekozen of kwam mijn keuze voort uit wat zich in mijn sociale situatie in die specifieke tijd aandiende? Dergelijke vragen zullen nooit eenduidig beantwoord kunnen worden. Meerdere antwoorden zullen tegelijkertijd waar zijn. Het veldconcept roept enerzijds een veelheid aan vragen op en biedt anderzijds een caleidoscopisch perspectief op een wereld aan mogelijke antwoorden. Ondanks hun heuristische waarde blijven ze echter achteraf gegeven verklaringen en betekenissen. Dit is eigen aan de benadering van de veldtheorie.

In dit zich openend perspectief ligt echter een nog fundamentelere onoplosbaarheid besloten. Om te verhelderen waar we in vast lopen wil ik terug gaan naar de uitgangspunten van de vraagstelling rond de wisselwerking tussen individu en veld.We maken onderscheid tussen individu en veld.

Om te kunnen filosoferen moeten we onderscheid maken anders valt er niets te filosoferen. We filosoferen over datgene wat we onderscheiden. Ons denken schept een voorgrond en achtergrond omdat we anders niets waarnemen en niets kunnen begrijpen. Om te begrijpen moeten we iets kunnen ‘grijpen’. We grenzen daartoe bepaalde verschijnselen af. Zodra we een individu en de omgeving onderscheiden doen we echter ongemerkt de werkelijkheid geweld aan. Het is een simplificering die ons op een verkeerd spoor zet. Datgene wat we aanduiden met individu is in feite de beschrijving van het veld vanuit een bepaald perspectief. Het kenmerkt veeleer de manier van waarnemen dan het verschijnsel zelf. Het hangt van de positie van de waarnemer af of het vocht in de atmosfeer gezien wordt als een mooie wolkenpartij of als een dichte mist. De weerman zal bij de wolkenpartij iets heel anders zien dan de kunstschilder of fotograaf. De mate waarin we onszelf en de ander als aparte individuen ervaren hangt eveneens af van de positie die we innemen. Is de vrouw in de relatie zo bemoeizuchtig en emotioneel omdat haar man zo gesloten en onbenaderbaar is? Of sluit hij zich zo af omdat zij zich zo opdringt? Wie ben ik eigenlijk als ik me in verschillend gezelschap zo heel verschillend kan gedragen? Komt dat spontane persoonlijke gesprek voort uit mijn behoefte en was het mijn initiatief hiertoe of nodigde de ander mij hiertoe uit? Als we nauwgezet kijken naar onze sociale interacties blijken er geen duidelijk te onderscheiden eenheden te zijn die elkaar wederzijds beïnvloeden. De werkelijkheid is een ondeelbare eenheid waarin geen individualiteit zich afzondert. De veldtheorie zou zich strikt genomen moeten onthouden van het gebruik van de term individu als zijnde geplaatst in of tegenover een veld. Ze biedt een kader waarin de werking van de eenheid een plaats geboden wordt.

Met de beschouwing van het begrip veld hebben we de waarde van de veldbenadering belicht: het verruimt onze blik als we de werkelijkheid als een veld zien waarvan alles wat we waarnemen actief deel uitmaakt. Er lijkt ons een terrein ontsloten te worden dat ons tal van inzichten biedt. Met de introductie van het begrip wisselwerking worden talloze verbanden en processen manifest. De euforie die het betreden van dit terrein geeft wordt echter getemperd als we het gebruik van het concept veld op haar beurt aan een kritische beschouwing onderwerpen. We gaan ervan uit dat we de werkelijkheid als een eenheid kunnen beschouwen. We veronderstellen daarmee impliciet niet alleen dat er zoiets bestaat als een werkelijkheid maar ook dat we ons hier als beschouwer tegenover kunnen stellen. We houden onszelf voor dat we het veld als eenheid kunnen aanschouwen. Het is de vraag of we hiermee niet het meest voor de hand liggende buiten beschouwing laten: namelijk dat we als beschouwer onlosmakelijk deel uit maken van het veld. In de kwantummechanica zijn de plaats en tijd van een deeltje afhankelijk van de waarnemer. In de fysica staat zelfs het bestaan van deeltjes, dat ogenschijnlijk zo vanzelfsprekend is, ter discussie. Wat we op dit zeer elementaire niveau waarnemen wordt zelfs bepaald door de kenmerken van de waarnemer. Zo is ook het begrip veld onlosmakelijk verbonden met de veldtheoreticus. We lopen op voorhand vast als we uitgaan van de vooronderstelling dat de beschouwer en hetgeen beschouwd wordt te onderscheiden is. We zijn één met het veld. De vraag rijst of het velddenken tot in haar uiterste doorgevoerd zelfs wel mogelijk is. We raken, om met Krishnamurti (1983) te spreken, verstrikt in het web van ons denken. Denken en veld zijn in wezen al met elkaar strijdig omdat het denken een splitsing tussen denker en het bedachte impliceert! De term veld komt voort uit ons denken: het veld is niets anders dan een gedachte. Aldus beschouwd gaan we de vaste grond onder onze voeten verliezen.


Golven in het veld

De vastigheid die ontleend wordt aan ons denken is bedrieglijk. Dit komt scherp aan het licht bij de veldtheorie. Ze wil alle factoren die ons leven bepalen voor zover mogelijk onderbrengen in het veldconcept. We verkeren bij het denken over ons zijn in de wereld echter in de positie van Baron von Münchhausen die zichzelf uit het moeras trekt. Het is een operatie die tot mislukken gedoemd is.

Met de verbreding van ons perspectief komen we, zoals in het vorige deel aan de orde kwam, als denker zelf in beeld. We staan niet aan de rand van het veld maar er midden op: de schrijver op het moment dat hij dit voor u schrijft en u als lezer op het huidige moment dat u deze woorden leest. Als schrijver verkeer ik in twijfel of mijn tekst voor u duidelijk is en of mijn betoog door u de moeite waard gevonden zal worden. U zult als lezer op dit moment gedachten en gevoelsreacties hebben waar ik alleen over kan speculeren. Misschien schrikt u momenteel op van de directe manier waarmee ik u aanspreek. Ik hoop en ga er van uit dat u ‘met me mee bent’ en dat we samen de weg van mijn betoog vervolgen.

We verkeren met ons waarnemen en denken in een veld waarin we beïnvloed worden en tegelijkertijd ook beïnvloeden. We maken met elkaar onderdeel uit van één groot dynamisch veld. Het lijkt er op dat dit onze eindconclusie moet zijn waarmee het laatste woord gezegd is. Een beschouwende positie van buitenaf is ons niet gegeven. Er resteert ons geen andere mogelijkheid dan om ons bij dit gegeven neer te leggen. We kunnen even opgelucht ademhalen als we constateren dat we onze rusteloze jacht om de wereld te begrijpen kunnen laten varen. 

Onze berusting zal echter van korte duur zijn. We worden, waarschijnlijk tot ons grote ongenoegen, wakker geprikt door het besef dat we rusten in onze eigen eindconclusie. Ons denken is hier terecht zeer kritisch over, aangezien de metafoor van het grote dynamische eenheidsveld uit onszelf, zijnde onderdeel van ditzelfde veld, voortkomt. Het veld blijkt geen vaste grond waarop we kunnen vertrouwen maar een moeras. Berusting en overgave zal ons naar de diepten trekken.

Om niet overgeleverd te zijn aan de krachten van de natuur trachten we met ons denken grip te krijgen op de wereld. Dit geldt niet alleen in theoretische zin maar ook in puur praktisch betekenis. We bedenken hoe we het beste een dak boven ons hoofd kunnen maken. Het levert levensgevaarlijke situaties op als we ons denken niet aanwenden voor dergelijke praktische problemen. We zouden omkomen van de honger en de kou. Het dreigende gevaar en de angst die dit oproept ligt onder de oppervlakte van onze inspanningen om te denken en de wereld naar onze hand te zetten. Over het algemeen lukt het ons als mensen redelijk om een situatie te creëren waarin we veilig en comfortabel kunnen leven. Hetzelfde overlevingsmechanisme van ons denken gebruiken we om onze geestelijke en relationele angsten en gevaren tegemoet te treden. We willen niet overgeleverd zijn aan een ondoorzichtig en onbegrijpelijk sociaal en emotioneel krachtenveld. We willen hier greep op krijgen door het te benoemen, erover na te denken en erover te spreken. Het concept van het veld lijkt ons hierbij even, letterlijk en figuurlijk, grond onder de voeten te geven. Ze maakt veel van deze krachten zichtbaar en benoembaar. Zodra we echter vastigheid gevonden denken te hebben zakt de grond onder onze voeten weg. We zijn zelf deel van hetgeen we benoemen. We bevinden ons in het moeras van het zijn. De grond waarop we staan is onbetrouwbaar en golft onder onze voeten. Het veld is driedimensionaal naar beneden uitgebreid en zuigt ons naar beneden. Met ons denken pogen we van de ene zinkende pol grond naar de andere te springen. De grond waarop we denken te staan is geen vaste grond maar onderhevig aan bewegingen.

Alles is in beweging. De filosofische stellingname van Heraclitus (540-480 v. Chr.) dat alles in beweging is (panta rhei) roept het beeld op van een golvende grond die wordt bewogen door diepe aardbewegingen. We kunnen elk moment de diepte in worden gezogen. Het veld is driedimensionaal naar de diepte uitgebreid. We worden verzwolgen in een diepte en bewegen in alle richtingen. Zoeken naar vaste grond of een stuk drijfhout biedt geen redding maar hooguit een kortstondige illusie hiervan.

Het hier beschreven betoog kan op dit punt een zweverig gevoel oproepen. Misschien roept het ook heftiger reacties op. Het kan, om met J. P. Sartre (La Nausée, 1938)  te spreken afkeer en irritatie oproepen of zelfs walging. We zwemmem niet alleen rond in een abstract filosofische gedachtenwereld die ver van ons af staat, maar zien ons eigen eindeloze en reddeloze zoeken weerspiegeld. Ons zoeken en betoog ondergraaft zichzelf voortdurend. We trachten als het ware tevergeefs onze eigen schaduw te pakken. In deze onzekere en zoekende beweging maken we deel uit van de werkelijkheid. Er dienen zich geen afdoende antwoorden of oplossingen aan. We zien onszelf zoeken in de onoplosbare paradox van het zijn. Het zien van ons vruchteloze zoeken kan een moment van inzicht bieden dat het zoeken voor een kort moment laat verdampen. In dit heldere besef lossen denker en bedachte zich op. De bovengenoemde onoplosbare paradox van de ongeschapen schepper heft zichzelf op. We betreden een religieuze verhouding tot de werkelijkheid.


Religie en Gestalt

Aan het eind van de middeleeuwen was er een heftige strijd tussen kerk en wetenschap over het primaat van het geloof met betrekking tot het kennen van de werkelijkheid. Als we de kwestie van Galileo (1564-1642) als voorbeeld nemen die met Copernicus tegen de kerkelijke leer in betoogde dat de aarde niet het middelpunt is waar alles om draait maar dat deze om de zon draait, dan doet deze strijd erg naïef en dogmatisch aan. De wetenschap heeft talloze kerkelijke leerstellingen ontzenuwd. Ogenschijnlijk lijkt ze op een enkel achterhoedegevecht na gewonnen te hebben. De algemeen gangbare hedendaagse overtuiging is dat de objectief wetenschappelijke benadering en niet het geloof een solide basis van kennis geeft.

Het is zeer de vraag of deze strijd die eeuwenlang de gemoederen verhit heeft zo simpel af te doen is. Met haar positivistische benadering gaat de wetenschap uit van premissen die als een betwistbaar geloof zijn te beschouwen. Ze veronderstelt dat de werkelijkheid volgens een algemeen ordenend principe is opgebouwd en dat we met het ontleden en onderzoeken tot een kennen van deze werkelijkheid kunnen komen. Het bestaan van zo’n werkelijkheid wordt als een a priori gegeven aangenomen. In wetenschapfilosofische beschouwingen wordt dit uitgangspunt en de consequenties die dit heeft kritisch beschouwd ( ‘Het dubieuze denken; geschiedenis en vormen van wijsgerig scepticisme’, P. de Martelaere, red., 1996). Het scepticisme binnen de filosofie trekt het uitgangspunt van een onafhankelijk bestaande werkelijkheid in twijfel. Mocht deze wel bestaan dan is het nog de vraag of deze werkelijkheid voor ons kenbaar is. Ze bevraagt de basis van onze filosofie en ons denken in het algemeen.

De wetenschapsfilosofen Burms en De Dijn (1986) definiëren in ‘De rationaliteit en haar grenzen’, de kennende functie van de wetenschap als zijnde een regel van het wetenschappelijke spel. Werkelijk is wat we volgens dit spel als werkelijk definiëren. Als een steen bij herhaling op de grond blijkt te vallen dan is het verschijnsel zwaartekracht te definiëren als werkelijkheid. De rechtvaardiging en waarde van dit spel bevindt zich buiten het wetenschappelijke spel en noemen zij de betekenisgevende of ook wel zingevende interesse. Dat het met de handen aanraken van de bal bij het voetbalspel fout is volgt logisch uit de regels van het spel. Wat echter het goede of foute van de regels zelf is valt niet vanuit de regels zelf te verklaren. Het is het gebied dat niet cognitief te beantwoorden is en aan gene zijde ligt van de grens van het rationele.

De wetenschap betreedt op de grenzen van het kenbare het gebied van het onbenoembare. Bij de natuurkunde komen we bijvoorbeeld het inherent niet kenbare van het begrip ruimte en tijd tegen. In de psychologie is de kwestie van de vrije wil niet in wetenschappelijke begrippen te vatten. We betreden een terrein dat we als waar ervaren maar waar de rede met haar objectiverende houding geen grip op heeft. Het transcendeert het objectief kenbare. Transcendere betekent letterlijk overstijgen. We overstijgen datgene wat we kennen of potentieel kunnen kennen. Met het begrip transcendentie betreden we het terrein van de religie. Religere betekent letterlijk verbinden. We zijn verbonden met het zijnde, ook waar het niet benoembaar is. In deze verbondenheid ligt een kennen besloten dat vooraf gaat aan ons bewuste kennen en dat dit overstijgt.

In het betoog van het vorige hoofdstuk belichtten we al de beperking van ons kennend bewustzijn. Met de erkenning van deze beperking betreden we een ander terrein van kennen. Het is het gebied waarin woorden en beelden geen grond zijn van objectief kennen maar hooguit metaforische vingerwijzingen. Als er al sprake is van de mogelijkheid tot een kennende positie, dan zal deze van een totaal andere orde zijn dan het objectief positivistisch kennen. Een andere kennende positie komen we bijvoorbeeld tegen bij religieuze stromingen die zich laten aanduiden met de term gnostiek. In gnostische (letterlijk kennende) stromingen binnen de religie wordt geduid op een ervarend kennen. Ze kenmerken zich door een grote rijkdom aan mythologische en allegorische voorstellingen. Centraal staat hierbij de positie van de mens ten opzichte van de wereld waarin deze zich geplaatst ziet. De positie van de mens komt hierin naar voren als niet tot deze wereld behorend en draagt in zich een besef of vonk van zijn oorsprong. Hiermee wordt de kennende positie, gnosis, weergegeven. Deze weergave lijkt een overeenkomst te hebben met het bijbelse beeld van de mens die door van de boom der kennis te eten uit het paradijs verstoten werd. Dit kennen riep in het bijbelse verhaal de toorn Gods op. De mens werd verbannen uit het paradijs. Iets overeenkomstigs overkwam de jonge Icarus in de Griekse mythologie. Hij werd door zijn wijze vader gemaand om midden tussen de gevaarlijke golven van de zee en de verzengende hitte van de zon te blijven vliegen. Toen hij zich in zijn vlucht te dicht bij de godenwereld bevond, stortte hij in zee neer en verdronk. Zijn vleugels van was smolten in de hitte van de zon.
Dit is het drama dat zich niet alleen in een ver mythologisch verleden heeft voltrokken. Bij het innemen van de kennende positie, waarin we in zekere zin godgelijk zijn, worden we keer op keer verbannen uit het paradijs. Het is de mythologische verbeelding van wat ons onderhavige betoog keer op keer ondergraaft. Het staat voor het conflictueuze drama waartoe we allemaal veroordeeld zijn in ons bewuste leven hier op aarde. Het conflict heeft, zoals ik hieronder zal betogen, verwantschap met de anarchistische wortel in Gestalt.

Als mens zijn we in ons kennen aan god gelijk en gedoemd om met de onmogelijke paradox van kenner en gekende het aardse leven te betreden.


Heil van Gestalttherapie

Na bovenstaande filosofische beschouwing van de grondbeginselen van de Gestaltbenadering zal ik in dit hoofdstuk de praktische uitwerking belichten. Het helende van de therapie zal nader uitgewerkt worden. Een eerste aanzet zal gegeven worden voor de kritische beschouwing die in de hierop volgende hoofdstukken aan de orde komt.

Het adagium van Gestalt is: “het blijven bij het hier en nu”. De huidige ervaring staat centraal. Het vertaalt zich in aandacht voor hoe iets wordt gezegd en wat er gebeurt in het directe contact. Feitelijk gezien zijn we altijd in het hier en nu. Er is geen ontkomen aan. We kunnen onmogelijk ergens anders zijn of in een andere tijd leven. Het hier en nu is dan ook geen kenmerk van Gestalt maar van het leven zelf. Met het hier en nu wordt eigenlijk bedoeld het bewust zijn van dit gegeven. De huidige ervaring wordt gekenmerkt door wat we via onze zintuigen van de buitenwereld waarnemen aan geluiden, beelden, geuren etc. We nemen de signalen van ons lichaam waar die zich op het huidige moment aandienen. De cliënt in het hier en nu brengen is niets anders dan de focus verleggen van de woorden naar dit directe ervaren. Deze focus heet in Gestalt het gewaarzijn. Kenmerkend is dat dit een gevoel van levendigheid teweeg brengt. Als iemand bijvoorbeeld een saai verhaal vertelt kan ik afdwalen met mijn gedachten of slaperig worden. Zodra ik dit besef en het uitspreek door bijvoorbeeld te zeggen dat ik me verveel zal er levendigheid ontstaan. Het geeft vaak een onverwachte wending aan het gesprek. We kunnen er ruzie over krijgen of de verteller kan me dankbaar zijn omdat hij zelf ook kwijt was wat hij eigenlijk wilde vertellen. Deze levendigheid brengt een verandering teweeg. De aard van deze verandering is niet van tevoren bekend en vaak erg verrassend. Hierin is de heilzame werking van de Gestalttherapie gelegen. Deze werking is hoe het woord therapie in de context van Gestalt moet worden opgevat. Het is een axioma of misschien zelfs een geloofsovertuiging dat de ontwikkeling vanuit deze levendigheid heilzaam is. Het woord heil is verwant aan helen, heel of het tot een geheel maken. Met de uitbreiding van de ervaring in therapie worden we meer tot een geheel. In bovenstaand voorbeeld kan gezegd worden dat met het bewust worden van de verveling deze ervaring toegevoegd is aan het geheel. Naarmate we meer ervaren zijn we meer geheeld.

De cliënt in het hier en nu brengen is een onmogelijkheid zoals we hierboven gezien hebben. We zijn altijd en eeuwigdurend in het hier en nu. Het handelen van de Gestalttherapeut is gelegen op het vergroten van het gewaarzijn. Door te reageren op de cliënt vanuit zijn eigen gewaarzijn zal ook het gewaarzijn van de cliënt vergroot worden. De therapeut kan bijvoorbeeld zeggen dat hij geschokt is bij het horen van het levensverhaal van de cliënt. Deze laatste kan als reactie hierop meer gaan beseffen hoe ongewoon en pijnlijk het is wat hij heeft meegemaakt. Het eigen verdriet kan op zo’n moment ruimte krijgen.

Naast het uitspreken van wat hij gewaar is kan de therapeut ook iets doen om de cliënt en zichzelf iets te laten ervaren. Een dergelijke interventie noemen we een experiment. De therapeut kan bijvoorbeeld voorstellen om de onderlinge afstand wat te vergroten of te verkleinen teneinde het gewaarzijn van de spanning in het gesprek te vergroten. Cliënt en therapeut kunnen ontdekken dat een grotere afstand meer ontspanning geeft en het gesprek een stuk vlotter doet verlopen. De therapeut bevindt zich hierbij in een dubbele positie. Enerzijds is hij deelnemer aan het gesprek en onderhevig aan de heersende spanning. Anderzijds is hij op metaniveau de regisseur die de situatie aanschouwt en stuurt met reacties en experimenten om het gewaarzijn en de levendigheid te maximaliseren. Op het eerste niveau is er een open contact met de cliënt. Op metaniveau scheiden beider wegen. De therapeut is door de cliënt ingehuurd om vanuit deze positie te kijken. Net zoals een automonteur is ingehuurd om onder de motorkap te kijken. Het is een vergelijking die op het eerste gezicht verhelderend lijkt maar die een groot risico met zich mee brengt. Op grond van wat we bij de hierboven beschreven veldtheorie hebben gezien gaat de vergelijking mank. Als Gestalttherapeut kunnen we het proces niet op dezelfde wijze aanschouwen zoals een automonteur de motor. We maken onlosmakelijk deel van uit van hetgeen we aanschouwen. Hierin is een fundamentele onmogelijkheid van de positie van de Gestalttherapeut en het hierboven beschreven proces van Gestalttherapie gelegen. Dit wordt in het volgende hoofdstuk, ‘Gestalttherapeut buiten spel’, besproken. In het hoofdstuk ‘Experimenten in het water’ zal ik de hieruit voortvloeiende nadelen van het gebruik van het experiment nader belichten.


Gestalttherapeut buiten spel

Wat is de onmogelijke positie van de Gestalttherapeut?

In onze dagelijkse praktijk als Gestalttherapeut negeren we de consequentie van de veldtheorie dat we onmogelijk een positie tegenover het veld kunnen innemen. De rolverdeling tussen een Gestalttherapeut en cliënt welke met instemming van beide partijen wordt ingenomen is gegrondvest op een fundamentele onmogelijkheid. Voor het woord Gestalttherapeut kunnen we in deze ook elke andere soort psychotherapeut invullen. De rol van priester, sjamaan, goeroe en alle soorten mediamieke genezers zijn eveneens gebaseerd op een overeenkomstige  loochening van de werkelijkheid. We zijn ons als therapeut van veel bewust hetgeen de suggestie wekt dat we ons in een positie buiten het veld bevinden. In andere culturen wordt de positie van sjamaan of goeroe gezien als zijnde halverwege de godenwereld. Het is een rol die we in alle tijden en allerlei beschavingen tegenkomen. Ook in de Christelijke kerk brengt de priester onder voorgeschreven rituelen en in speciale en gewijde kledij een verbinding tot stand tussen het profane en het sacrale. Deze rituelen zijn bedoeld om aan te geven dat hetgeen de priester in de eredienst bewerkstelligt niet op zijn persoonlijk conto geschreven kan worden. (Jung, 1978). Hij is slechts een intermediair. Om een rolverwarring te voorkomen zou er wat voor te zeggen zijn om de Gestalttherapeut bij de uitoefening van zijn beroep rituele kledij te laten dragen. Het zou expliciet maken dat hij een rol vervult en dat deze niet verward moet worden met zijn persoonlijk leven.

Het oneigenlijke en onmogelijke van de rol als therapeut komt aan het licht bij het merkwaardige verschijnsel dat het zo moeilijk is om vanuit de  therapeutische relatie over te stappen naar een andersoortige verhouding. In een relatie of vriendschap die vanuit een therapeutisch contact ontstaat blijken de sporen van deze eenmaal gevestigde rollen diepgeworteld door te werken. Klaarblijkelijk is het op een diep en grotendeels onbewust niveau schokkend om deze te verlaten. De regel in de beroepsethiek die de cliënt en ook de therapeut beschermt tegen dergelijke grensoverschrijdingen is niet zonder reden in het protocol opgenomen! Veelal wordt het gezien ter voorkoming van misbruik van de machtspositie van de therapeut. Het belichten van de macht laat echter meer zien dan dit ene facet. Het laat de macht van het rollenspel zelf zien. We kennen dit spel maatschappelijk gezien een ongekend grote macht toe. De therapeut heeft de macht van de ziener. Er is een diepgeworteld verlangen naar een metaperspectief van waaruit we gezien en beoordeeld worden. Door de ogen van de therapeut voelen we ons door god gezien. Het verklaart waarom we deze rol blijven vragen en vervullen ondanks de fundamentele onmogelijkheid. Een leven zonder het oog van god is zo desolaat dat we ons liever verschuilen achter een illusie.

Onze Gestaltpraktijk waar we trots op zijn en misschien ons inkomen uit halen geven we niet op als we constateren dat deze is gebaseerd op fundamentele drogredenen. Het fascinerende van de Gestaltbenadering vind ik dat ze met haar theorie en de praktijk zo dicht langs het besef van deze consequenties scheert. De grondhouding in Gestalt is het zich open stellen voor het ongewisse. Het niet-weten wordt niet gecamoufleerd met een oppervlakkige air van deskundigheid. Onzekerheid en het niet-weten is eerder een kwaliteit dan een falen van de Gestalttherapeut. De afgrond wordt zeer dicht genaderd in een impasse waarin de therapeut zichtbaar wordt in zijn beperktheid. Op zo’n moment kan de illusie van het rollenspel even voelbaar worden. De coulissen van het decor bewegen en het besef dat het slechts een decor is dringt even door. De rol van therapeut en cliënt wankelt en samen staan ze oog in oog voor een gapende afgrond. Ze kijken in de muil van het mysterie van het leven. Het is de muil waarin we met onze rollen en zekerheden verzwolgen worden. Het is geen moment waarop we nog zelfgenoegzaam op onze stoel als therapeut zitten. Het is het moment dat de boel in elkaar dondert. Het is geen verdienste waarmee de Gestalttherapeut zich op de borst kan slaan.

Gestalt is vanuit haar filosofische en maatschappelijke wortels alert op het ontstaan van dogmatische houding van ‘het te weten’. Gestalt zou daarmee zelf tot een ‘fixed Gestalt’ worden. Het anarchistische waar Gestalt zich vaak op beroept is niet alleen gericht op de maatschappij buiten maar ook op haar eigen grondvesten. Een implosie van haar eigen bouwwerk is noodzakelijk voor haar voortbestaan. De Gestalttherapeut staat op voorhand al buiten spel. Het innemen van een kennende positie wreekt zich onvermijdelijk.


Experimenten in het water

De voor en nadelen bij het gebruik van gewaarzijnsexperimenten.

Het aanbieden van een experiment om het gewaarzijn te vergroten is een techniek die kenmerkend is voor Gestalttherapie. Ze kan een zeer verhelderende uitwerking hebben. Naast de vruchten die deze kan afwerpen zijn er echter grote bezwaren aan te voeren tegen deze methodiek.

Om dit te verhelderen wil ik het beeld van de diepzee als metafoor gebruiken. Het sluit aan bij de beschrijving van het veld zoals in het hoofdstuk over de veldtheorie weergegeven. Aan de oppervlakte is de diepzee een golvende watervlakte. Het golvenpatroon is gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn duidelijk zichtbare golven die voortdurend aan komen rollen. Als we gedetailleerder kijken zien we op het wateroppervlakte ook kleinere golfjes en rimpelingen die eveneens als golven te beschouwen zijn. Als we grootschaliger kijken zullen we opmerken dat er ook heel grote golven zijn die nauwelijks als zodanig waarneembaar zijn. Het is de deining die we ervaren als we met een schip op zee varen. Er is één golf die de afmeting heeft dat ze de halve aardbol omspant: de beweging van eb en vloed. Het beeld van de diepzee biedt echter meer dan alleen kenmerken van het wateroppervlak. In de diepte komen we bewegingen van het water tegen die samenhangen met het golvenpatroon. Het zijn zeer ingewikkelde stromingen die zich hierin onderscheiden. In de diepten van de zee komen we tal van stromingen in alle mogelijke richtingen tegen. Golfstromen die de hele aardbol omvatten stuwen enorme watermassa’s voort.

Op de grens tussen water en lucht zien we de zee met al haar golven. De veelheid aan golven aan het oppervlak staan voor krachten en bewegingen in ons leven waar we ons bewust van kunnen zijn. De stromingen en andere kenmerken van de diepte kunnen we niet waarnemen en zijn onbewust.

We bewegen ons als een vis in dit water. We zwemmen in alle lagen van de diepzee en worden meegenomen door de diverse stromingen. Met onze zwembewegingen kunnen we koers bepalen om bepaalde plaatsen en stromingen te bereiken. Al zwemmend veroorzaken we strominkjes in het water om ons heen. Als vis zijn we in het bezit van het bijzondere vermogen om met een sprong korte tijd boven de waterspiegel uit te komen. Dit zijn de momenten van bewustwording. De diepzee wordt van bovenaf voor ons zichtbaar. Op grond van deze krachttoer verkeren we korte tijd in een atmosfeer waarin we niet kunnen leven. We zijn hier niet op gebouwd. Dit is het domein dat we binnentreden als we van de boom der kennis eten. In ons denken zijn we godgelijk.

Als Gestalttherapeut springen we regelmatig boven het wateroppervlak uit. We zijn ons sterk bewust van het water waarin we leven. We zien veel van de patronen en stromingen waaraan we onderhevig zijn. Dit verschaft een grote mate van vrijheid om als vis richting te kunnen kiezen. De zee blijft echter onze leefomgeving waarin we ondergedompeld leven en waaraan we ons nooit zullen kunnen onttrekken. Onze cliënten nodigen we uit om met ons een kijkje boven water te komen nemen. De bewustwording van de wereld van gevoelens en invloeden in het contact met andere mensen opent de cliënt vaak een nieuw perspectief. Het biedt een bevrijding uit een benauwde en angstige belevingswereld. Het is de waarde van hetgeen (Gestalt-)therapie te bieden heeft.

Met behulp van het aanbieden van een experiment bieden we de cliënt een springplank om boven de waterspiegel te komen. We helpen het gewaarzijn te vergroten. We creëren een dusdanige zwembeweging dat we korte tijd boven het water uit stijgen. Vanuit de lucht worden we ons bewust van het water waarin we ons bevinden. We zien onder ons de bij het experiment opgewekte spetters, rimpelingen en golven in het water. Deze zijn grotendeels voortgekomen uit de bewegingen die we bij onze sprong gemaakt hebben. In dit effect van onze sprong is het grote nadeel van dergelijke interventies gelegen. De aandacht is gericht op de opgeroepen spetters en stromingen. De bewegingen van de diepzee zelf worden hierin niet of nauwelijks ervaren. We kunnen als voorbeeld een therapiesituatie nemen. De therapeut kan als experiment voorstellen om een gespannen lichaamshouding te versterken om bewust te worden van een naar boven komende agressie. Dit kan een de cliënt helpen bij zijn machteloze impasse. De cliënt zal opgelucht en tevreden zijn als hij zich hiervan bewust wordt en zijn gevoelens kan uiten. Het voordeel van het zich kunnen toe-eigenen van deze agressie gaat echter gepaard met het nadeel dat voorbij gegaan wordt aan de dieper gelegen stromingspatronen. Het nauwelijks benoembare proces van het aarzelend toelaten en afweren van het eigen lichamelijk ervaren wordt kortgesloten. Juist in deze wereld liggen tal van projecties, introjecties e.d. en ook de oorspronkelijke levensvonk die zowel nieuwsgierig en levenslustig is als bang en teruggetrokken. De cliënt is in het experiment verrijkt met een afgeronde Gestalt maar is de contactmogelijkheid met deze diepere lagen armer. Het niet aanbieden van een experiment biedt de mogelijkheid om het ervaren van deze onderstromen vergroten. Hiervoor is een zeer aandachtige en rustige grondhouding vereist. Des te minder interventies des te dieper zijn de stromingen die ervaarbaar worden. Het water zelf krijgt een grotere helderheid. Een eenvoudige interventie als het weergeven van het eigen gewaarzijn of van hetgeen bij de cliënt waargenomen wordt kan het proces verdiepen. Dit kan simpelweg betekenen de aarzeling van een handbeweging of het stilvallen weer te geven, liefst zonder hiervoor woorden te gebruiken.
Een experiment beweegt zich door haar aard aan het oppervlak van het water. Soms hebben we deze structuur als therapeut nodig. Het kan de cliënt helpen om betrokken te raken bij het eigen proces. Hier houdt echter het nut van deze interventie op. Als het niet strikt noodzakelijk is wegen de nadelen zwaar en verdient het de voorkeur om niet te spetteren in de diepzee.


Ten gronde

Een slotbeschouwing en relativering in het perspectief van de tijd.

We hebben in beide voorgaande hoofdstukken de positie van de therapeut als de gebruikte methodiek bij Gestalttherapie kritisch beschouwd. Ik wil in dit afsluitende hoofdstuk de waarde van Gestalt zoals ik die in het hoofdstuk ‘Heil van Gestalttherapie’ beschreef nog eens naar voren halen. Als geen andere psychotherapeutische benadering begeeft zij zich tot aan de grens van het niet benoembare en niet kenbare. We noemen dit ook wel de authentieke ontmoeting. Zij staat open voor, wat Martin Buber (1923) in ‘Ich und Du’, beschrijft als de Ik-Gij relatie. Meer kan zij niet doen gegeven het niet-authentieke van de ontmoeting binnen het kader van de psychotherapeutische hulpverlening. Het oneigenlijke van de therapeutische ontmoeting werd beschreven in het hoofdstuk ‘Gestalttherapeut buiten spel’. De grote waarde van Gestalt vind ik dat zij deze onoplosbaarheid voor zover mogelijk onder ogen ziet en hierover in dialoog blijft. Ze hoedt zich ervoor om zich te verschansen in de schijnbare zekerheid van een theoretisch bouwwerk. De openheid voor het grensgebied van het niet-weten en voor de ontmoeting is de grote waarde van de Gestaltbenadering. Zij wordt daarin vaak niet begrepen. Haar ogenschijnlijke kwetsbaarheid is tevens haar fundament.

Gestalttherapie heeft zich de afgelopen vijftig jaar als een psychotherapeutische mensbenadering ontwikkeld. Zowel in haar theorie als uitgewerkt therapiemodel heeft ze vorm gekregen. Maatschappelijk voldoet ze aan de eisen van de huidige regelgeving. Er is een certificering en ethische code die de kwaliteit bewaakt. Deze erkenning laat zich te gelde maken bij verzekeringsinstanties die deze therapievorm vergoeden. Gestalt heeft zich een plaats onder de zon verworven.

Tot zover loopt alles naar wens. In wezen is er echter niets nieuws onder de zon. Gestalttherapie is maatschappelijk een verschijnsel dat voortkomt uit de structuur van deze tijd. We zijn een psychotherapeutische richting omdat er in deze tijd psychotherapieën ontstaan. Dergelijke sociale structuren gaan en komen. Gestalt als psychotherapeutische mensbenadering zal geen eeuwigheidswaarde hebben. Ze bloeit in de grond van deze tijd en zal in de tijd ooit sterven.

Hetgeen in Gestalt wordt uitgedragen is evenmin nieuw onder de zon. Het is wat in vroeger tijden en andere culturen in velerlei vorm tot uitdrukking is gekomen. Het is verwant aan wat in diverse mystiek/religieuze stromingen verkondigd wordt. Gestalt heeft de fakkel overgenomen in de taal van deze tijd. Met de zorg voor het vuur van de fakkel dient zij de inhoud van de zaak. De praktische zorg voor het instituut Gestalt betreft de vorm waarin het momenteel gegoten is. Dit laatste is een jas die na verloop van tijd versleten zal zijn. Dit relativerende perspectief nodigt uit om over de grenzen van onze huidige besognes heen te kijken. Het hoe van de Gestaltbeweging, hoe zij haar plaats inneemt en in contact staat met de huidige samenleving, is belangrijker dan haar vestiging en bevestiging als sociale structuur.

Gestalt als beweging is op zichzelf als een experiment te beschouwen. Het is ooit begonnen in de zoektocht naar een authentieke vorm van psychotherapeutische hulpverlening. Dit zoeken kwam voort uit de hulpvraag die cliënten stelden  maar ook uit een maatschappelijke nood in de naoorlogse jaren. Het zijn diepe onderstromen die deze ontwikkelingen op gang zetten. Het antwoord dat in Gestalt met haar mens en maatschappijvisie gevonden werd was het experiment om te zien wat dit voor veranderingen bij zowel de individuele cliënt als bij de maatschappij in groter verband teweeg zou brengen. Het bleek niet een kortstondig gespetter maar een stroming die ons vijftig jaar later nog steeds beweegt. Net als bij de experimenten in de therapeutische setting gaat het er de Gestalt als organisatievorm niet om een vooraf bepaald doel te bereiken maar om het proces dat teweeggebracht wordt. Het ontwikkelen van Gestalt als psychotherapeutische methode kan, uitgaande van haar grondbeginselen, niet het doel van Gestalt zijn. Als experiment verruimt het de blik op de dynamische krachten die in ons maatschappelijk veld werkzaam zijn. Het bevordert de dialoog tussen deze krachten. Haar grondbeginselen bewegen Gestalt tot een open en verfrissende dialoog met haar omgeving. Een duidelijke positionering in het maatschappelijke veld is hierbij noodzakelijk. Ze zal duidelijk moeten zijn in waar ze voor staat en waarin ze verschilt van andere therapieën en geloofsstromingen. De gelederen van de gereglementeerde psychotherapie brengen het gevaar met zich mee dat hieruit voortkomende kaders deze positionering laten vervagen. Dit kan het vuur van de dialoog voortijdig smoren.
Het formuleren van methodieken, behandeldoelen, diagnostiek, prognoses, wetenschappelijke verifieerbaarheid komen voort uit een positivistisch denkkader. Dit denkkader is niet alleen het uitgangspunt van het wetenschappelijk bedrijf maar weerspiegelt de basale verhouding die we tot de ons omringende materiële en sociale wereld hebben. We zijn allemaal onderzoekers in de zin dat we oorzaken willen weten. Als de aardappelen aanbranden willen we weten waardoor dit komt om een herhaling te voorkomen. Als we ons eenzaam voelen willen we weten wat we hier aan kunnen doen. Het opsporen van causaliteiten vormt de basis waarop we ons tot de wereld verhouden. Het levert ons veel op.

Het velddenken heeft, zoals in het betreffende hoofdstuk beschreven, een totaal andere grondslag. Het biedt een ander uitgangspunt om ons tot het ons omringende te verhouden. Het is juist dit uitgangspunt dat de rijke voedingsbodem biedt voor de veranderingen die in Gestalttherapie naar voren komen. Het is wat ook in bredere zin een verrijkende en verdiepende verhouding tot het leven kan bieden. Het is niet zozeer van belang dat Gestalttherapie erkend wordt, zelfs niet dat ze blijft voortbestaan. Het is een eerste verantwoordelijkheid van de Gestaltbeweging om te waken over haar grondbeginselen. In het vuur van de dialoog die hieruit voortkomt kan leven ontvlammen.


Literatuur 

Buber, Martin; ‘Ich und Du’, 1923. In vertaling: ‘Ik en gij’, Erven J. Bijleveld, Utrecht; 1959. ISBN 9061316065

Burms, A. en De Dijn, H., ‘De rationaliteit en haar grenzen; kritiek en deconstructie’, Universitaire Pers Leuven, Van Gorcum Assen/Maastricht, 1986; ISBN 90-232-2218-0.

Jung, C. G., ´Verzameld werk deel IV, Mensbeeld en godsbeeld`, Lemniscaat, Rotterdam, 1978- ISBN 90-6069-579-8.

Krishnamurti, J., ‘Het web van het denken’; Mirananda uitgevers B.V., Wassenaar, 1983; ISBN 90 6271 682.2.

Martelaere, P. de (ed.), ‘Het dubieuze denken. Geschiedenis en vormen van wijsgerig skepticisme’, Kok Agora-Pelckmans, 1996, Kampen-Leuven.

Sartre, ‘La Nausée’, 1938. In vertaling: ‘Walging’, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1976.

 

© Jan Philip Wieringa, november 2003