Afdrukken

Inleiding

In het eerste artikel in deze reeks, Ontwarend Bewustzijn, werd de aard van ons bewustzijn en gewaarzijn aan een onderzoek onderworpen. Het niet objectiveerbare van bewustzijn bracht ons naar de transcendentie van dit begrip. In dit artikel zal ik nader ingaan op de aard van onszelf als subject.

In de uitspraak ‘Ik ben mij bewust’ of ‘Ik ben mij gewaar’ wordt uitgegaan van het ‘Ik’ als een structuur die als identificatiepunt gezien wordt. Bij het bewust zijn van iets ligt dit identificatiepunt in het bewuste, terwijl bij gewaarzijn zich dit in ons onbewuste bevindt. De ontdekking dat we onze beslissingen al genomen hebben voordat we ons hiervan bewust zijn (Dijksterhuis, 2007), noopt ons om ons ‘Ik’ in niet bewuste sferen te zoeken. Wij zullen in dit artikel niet zoeken waar ons ik gesitueerd is, maar onderzoeken wat we eigenlijk bedoelen als we het woord ‘Ik’ gebruiken.


In Zicht

Ons niet-bewuste ervaren en het niet-bewust nemen van besluiten roept de vraag op wie, wat of waar ik eigenlijk ben.

Als ik, in navolging van de titel van het boek van Dick Swaab (2010), mijn brein ben, komt mijn ik heel concreet en zelfs meetbaar in zicht! Letterlijk schrijft hij in zijn inleiding: “wij zijn onze hersenen”. We zijn vanuit dit wetenschappelijk perspectief iets: de werking van ons zenuwstelsel. Mijn brein heeft klaarblijkelijk het concept “ik” bedacht om vervolgens na neuropsychologisch onderzoek te concluderen dat ‘ik’ niets anders is dan mijn brein. Laat ik om wat duidelijkheid te scheppen in een mogelijke spraakverwarring brein een naam geven: hij heet ‘Brein’.

‘Ik’ voelt zich door Brein aan de kant gezet en realiseert zich dat hij eigenlijk zichzelf aan de kant gezet heeft. Wat directer in de eerste naamval geformuleerd: ‘Ik’ voel me door de reductie tot Brein gedegradeerd en aan de kant gezet, maar ik realiseer me dat ik dan eigenlijk mezelf aan de kant gezet heb. Het concept dat ik mijn brein ben, helpt me niet verder. Ik vertrek vanuit mezelf en kom weer bij mezelf uit. We ontsnappen niet aan onszelf.  Het is de Ouroboros ofwel de paradox waar we levenslang als mens in gevangen zitten.

Laat ik een andere methode proberen om ‘ik’ in zicht te krijgen. We hebben in het vorige artikel gezien dat ons bewuste zijn achter neurologische feiten van het gewaarzijn aanloopt. Dit betekent dat we onze machtspositie verliezen als we ons “ik” zoeken in ons bewustzijn. We hebben immers al besluiten genomen voor we ze bewust nemen. We zullen ons ik dus moeten opsporen in onze onbewuste processen. De formulering van een besluit is dan niet ‘Ik besluit’ maar luidt ‘Ik merk dat ik besloten heb’. Ik zie en hoor wordt dan: ‘Ik word me bewust dat ik zie en hoor’. Om ‘ik’ scherp in beeld te krijgen moeten we een onderscheid maken tussen mijn onbewuste ik (Obik) en mijn daarop reflecterende bewuste ik (Bik). Ik heb ze hier ook maar weer namen gegeven ter voorkoming van nog grotere verwarring dan waar de vraagstelling ons al in gebracht heeft.

Obik hoort, ziet, associeert en neemt besluiten. Obik is de laag die we aanduiden met gewaarzijn. Gewaarzijn gaat vooraf aan bewustzijn en is zich van zichzelf niet bewust. In deze duisternis zit ‘ik’ mogelijk verscholen. Het impliceert dat Bik niet kan weten wie of wat Obik is. Obik zelf weet het evenmin, omdat hij in het preverbale onbewuste huist en zichzelf geen ‘ik’ zal kunnen noemen. ‘Ik’ ontglipt ons ook hier in het onbewuste als we er zicht op lijken te krijgen.


In Verzet

Bik laat zich niet zonder protest van zijn troon stoten. Zijn verzet komen we niet alleen tegen in ons dagelijks leven, maar ook in de kunst en filosofie. Wislawa Symborska (1993) schrijft in haar gedicht ‘Niets cadeau’:

Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Tot over mijn oren in de schulden
zal ik met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven.
 
Het is nu eenmaal zo geregeld
dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.
 
Te laat om het contract te verbreken.
De schulden moeten worden geïnd,
het vel over de oren gehaald.
 
Op de wereld loop ik rond
in de menigte van andere schuldenaren.
Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
 
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen wimpertje, geen steeltje
mogen we voorgoed behouden.
 
De lijst is uitputtend
en het ziet ernaar uit dat we niets zullen overhouden.
 
Ik kan me niet herinneren
waar, wanneer en waarom
ik zo’n rekening heb laten openen.
 
Het protest daartegen
noemen we de ziel.
En dat is het enige

wat niet op de lijst staat.

Het protest ertegen noemen we de ziel. Het lijkt er op dat ‘Ik’ en ziel een verwantschap hebben. Het blijft natuurlijk de vraag wat we onder deze beide begrippen verstaan en of ze in onze concrete immanente werkelijkheid wel bestaan. We zijn erg gehecht aan ons ‘Ik’. Bijna elke zin bevat er wel een verwijzing naar, soms in de vorm van een ‘jij’, ‘hij’, ‘wij’ of ‘zij’. Bik zal lezingen houden, boeken en artikelen schrijven en verhitte discussies aangaan om zijn bestaansgrond aan te tonen. Het is en blijft een intrigerend vraagstuk voor Bik. Het zal hem zelfs na vandaag nog vele millenia bezig houden.


In Vrijheid

De existentiële vrijheid dwingt ons tot keuzes die ons feitelijke leven vorm geven. We verwerven positie, worden ouders of raken aan lager wal. Hoe ons leven er ook uit ziet, pas achteraf kan er een oordeel over geveld worden. In filosofische termen wordt dit geformuleerd in de zin dat onze existentie vooraf gaat aan de essentie. Sartre houdt ons een spiegel voor die laat zien hoe onecht we ons gedragen in uitspraken over onszelf. Hij beschouwt dit als een vorm van ‘kwade trouw’. Zelfs als we zo oprecht mogelijk uitspreken hoe we ons voelen en wat we denken, ja zelfs als we onze kwetsbaarheden laten zien, zijn we onszelf niet trouw. Elke uitspraak over onszelf is onwaarachtig, omdat ze onszelf, ons ‘Ik’ als een object voorstelt. Kunnen we dan ooit authentiek zijn? Sartre benoemt deze staat van zijn, maar kan hier vanzelfsprekend niets over zeggen. Hij kan niet anders dan ageren vanuit een fundamenteel verzet tegen elke positivistische uitspraak en theorie over onszelf. Objectiverende wetenschappelijke psychologie met haar diagnostiek is een extreme vorm van ‘kwade trouw’.


In het Veld

In ‘Gestalt Therapie’ (Perls, Hefferline en Goodman,1951) komen we ons ‘zelf’ tegen als kenmerk van het contact tussen het organisme en omgeving. Perls en zijn medeschrijvers nemen een radicaal standpunt in door ons zelf te zien als een verschijnsel in het veld van contacten. Hoe meer contact er is tussen het organisme en de omgeving, des te meer zelf er is! De consequentie is dat we organisme niet vergezeld mogen laten gaan met een bezittelijk voornaamwoord: organisme is niet ‘mijn’ organisme. De fysieke eenheid van het lichaam heeft ook geen eigenaar: het is niet ‘mijn’ lichaam. Ik als zelfstandige eenheid is in deze Gestalttheorie radicaal onttroond. In deze theorie wordt ‘Ik’, aangeduid met de Latijnse naam ‘ego’, als een cognitief bijverschijnsel. Het is een identificatie met de mogelijkheden in het veld. Er is in het hele veld geen eigenaar te vinden die rechten kan doen gelden. Er is slechts een veld waarin organisme en omgeving met elkaar in wisselwerking zijn.

Deze theorie wordt in de wetenschappelijke psychologie het best omschreven als de veldtheorie. Kurt Lewin (1951) heeft hier een eerste aanzet toe gegeven. Wil de psychologie haar onderzoeksobject trouw zijn, dan zal ze op grond van deze veldtheorie haar onderzoek naar eigenschappen van het individu moeten staken. Ze zal zich toe moeten leggen op de bestudering van verschijnselen in het veld. Het gegeven dat ze hier zelf deel van uit maakt biedt zowel de beperking als de mogelijkheden voor haar onderzoeksmethodieken. Het veld is als op zichzelf betrokken onderzoeksobject geen object in de gebruikelijke zin van het woord en laat zich niet als zodanig onderzoeken. Deze veldtheorie is wetenschapsfilosofisch revolutionair in haar stellingname. De fenomenologische psychologie zoekt een antwoord op dit vraagstuk door menselijk gedrag te leren verstaan vanuit onderliggende betekenissen en bedoelingen die hierin gelegen zijn (Giorgi, 1976). Deze worden door onszelf ontworpen en zijn daarom niet te beschouwen als oorzaak van ons gedrag. Het vraagt een fundamenteel andere benadering dan de natuurwetenschappelijke psychologie. Psychologie staat voor de onoplosbare paradox dat haar bestudeerde fenomenen onderdeel uitmaken van haar eigen wijze van kijken. Het leidt tot de conclusie dat ons ik, onze identiteit, ons zijn in de wereld en zelfs iets als het ‘veld’ onttrokken zijn aan de mogelijkheid tot natuurwetenschappelijk onderzoek. Sociale wetenschap vraagt om een grondige bezinning op en herformulering van het verschijnsel wetenschap. Hierover schreef ik eerder in het artikel ‘Ontgane Velden’ in Voorgrond van juni 2012.

Inmiddels zijn we in onze jacht op onszelf het zicht en de mogelijke grip op ‘Ik’ radicaal kwijt geraakt. De veldtheorie vraagt om een manier van kijken waarin ons normale denkvermogen het spoor bijster raakt. De filosoof Heidegger is van hieruit zo consequent om niet te spreken over ‘de mens’ maar over ‘Dasein’ (‘er zijn’).


In Proces 

Martin Heidegger (1927) neemt in zijn filosofie de uiterste consequentie de mens ofwel ‘Ik’, te beschrijven als veldverschijnsel. Strikt genomen is mijn formulering dat hij de mens zou beschrijven al onjuist. Safranski (1992) zegt dat hij ‘Dasein’ onderzoekt zonder ook maar één keer het woord mens te gebruiken. Heidegger beschrijft ‘Dasein’ dan ook niet met objectieve kwalificaties maar in procestermen. Het is een manier van kijken en denken die sterk afwijkt van het ons vertrouwde denken en waarnemen.

‘Dasein’ is een zich tijdelijk bevinden in de wereld. De tegenpool van het zich niet bevinden is daarmee als mogelijkheid impliciet aanwezig. Tijdelijkheid draagt de dood als onontkoombaar gegeven in zich.

Kenmerken van ‘Dasein’ zijn stemming, verstaan en rede. Het meest basale kenmerk ‘Stimmung’ is het emotionele en gevoelsmatige verbonden zijn. Angst voor de dood ofwel ‘niet-Dasein’ is de grondstemming. Verder kenmerkt Dasein zich door een natuurlijk verbonden begrijpen van de wereld: ‘Verstehen’. Daarnaast is er een verhouding tot de wereld in woorden en beelden: ‘Rede’. Dit betreft het verbale en associatieve bewustzijn dat in het eerste artikel in deze reeks werd beschreven.

Gestalt-therapie is de vertaling van het veldtheoretisch perspectief naar het terrein van de psychotherapie. Het doel van deze benadering ligt niet in de probleemoplossing, maar in de procesmatige ondersteuning van wat zich voordoet in het actuele contact met de cliënt. De therapeut is in de ontmoeting zelf deel van het zich organiserende veld met de cliënt. Helpen heeft in de Gestalt een totaal andere betekenis dan bij de meer reguliere hulpverlening. Een bekend verhaal uit de Zen-traditie kan dit illustreren.

Een zen-boeddhistische meester ontving een discipel die diep in de put zat. Deze had er in zijn wanhoop een lange reis voor over gehad om de gerenommeerde meester om hulp te kunnen vragen. De meester hoorde het trieste relaas van de man aan en kon niet anders dan bevestigen hoe erg en hoe uitzichtloos deze problemen zijn. Ze zaten een pijnlijk lange stilte bij elkaar. Wat de discipel ook probeerde, hij kon geen inzicht of opbeurend woord aan de meester ontlokken. De meester zat net zo in de put als hijzelf. Het laatste sprankje hoop in het leven van de discipel leek op dat moment te doven. In het diepst van zijn wanhoop maakte zich opeens een redeloze woede van hem meester. Met overslaande stem schreeuwde hij de zogenaamde meester toe: “Wat ben jij voor een kwakzalver dat je niets beters weet te doen dan een beetje mee te zeuren over hoe erg het is!” Kwaad en verontwaardigd liep hij weg om nooit weer terug te keren. Zijn leven kreeg een andere wending.

Dit verhaal maakt duidelijk dat Gestalt, net als zen, geen methode is. Als deze meester bekend zou zijn om deze benadering zou er niemand meer komen. Zelfs als er iemand zou komen, dan zou deze aanpak niet opnieuw hetzelfde effect hebben. Het is een gebeuren in het contact van het moment zelf dat een proces in gang zet. Het is een eenmalige gebeurtenis en geen techniek. In wezen staat elke theorie, ook die over contactmechanismen en techniek, ook het werken met de lege stoel en polariteiten, haaks op de ontmoeting in het hier en nu. Het contact van het moment is de alfa en de omega van de Gestaltbenadering. Het proces in Gestalt is per definitie niet in protocollen te vangen: Gestalt is Gestalt, is Gestalt.

Onze frustrerende jacht op onszelf en de onvindbaarheid ervan delen we met onze verre, verre voorouders.


In het Licht 

Zo waren er rond het begin van onze jaartelling tal van religieuze bewegingen die zich afzetten tegen de officiële godsdiensten van die tijd. De leer die door Jezus van Nazareth gepredikt werd, was hier één van. In de later geïnstitutionaliseerde christelijke kerk werden concurrerende esoterische stromingen van die tijd als ketters beschouwd en te vuur en te zwaard bestreden (Pagels, 1979). Onder de term gnosticisme wordt een rijk geschakeerd aantal richtingen onder één noemer gebracht (Jonas, 1958).

Gnostici richtten zich op een persoonlijk kennen en ervaren van onze oorsprong. Ze verbeeldden hun ‘gnosis’ in fabuleuze mythologieën waarin ze alle aanbeden goden uit heilige geschriften van die tijd hekelden. De christelijke gnostici zagen de Jezus van Nazareth en zijn aanbeden God de vader als onwetend van de ware gnosis. Veel gnostici hadden een minachting voor de schepping. In ons mensen was volgens hen een fractie van het oorspronkelijke licht, de kennis of gnosis, van onze oorsprong aanwezig. Het was daarom belangrijk om zich niet te verliezen in deze aardse schepping, maar zich bewust te worden van onze oorsprong.

De stroming van de Kaïnieten ging zover in hun verachting van deze wereld dat ze propageerden om alle mogelijke aardse zonden te begaan. De enige aanbeveling die ze hun volgelingen deden was om zich niet voort te planten. Daarmee zou immers meegewerkt worden met deze wanstaltige en in onwetendheid verkerende schepper en zijn schepping. De schepper van de christelijke wereld, God de Vader, zagen ze als een domme ‘loser’ die, in tegenstelling tot ons mensen, geen flauw benul heeft van zijn afkomst. Dat ze de mens hoger achtten dan God de vader was voor de christelijke kerk een grove godslastering en reden om het gnosticisme radicaal uit te roeien. De aanhangers werden vervolgd en vermoord. Hun geschriften werden vernietigd. Dit is zo goed geslaagd dat een aantal geloofsopvattingen van de gnostici pas in recente tijden weer boven water zijn gekomen door de vondst van de Nag Hammadigeschriften in 1945.

Tot zover een impressie van de levensvisie van de gnostici die ze met indrukwekkende mythologieën wisten te verbeelden. In de jacht op onszelf bleken ze ons ‘ik’ niet in deze aardse wereld te kunnen vinden. Diep in onszelf is een verscholen besef van niet thuis zijn in deze wereld. Dit besef is de afspiegeling van een vonkje van ons oorspronkelijk licht. We zullen de jacht op onszelf moeten staken bij dit flauwe schijnsel van onze niet kenbare afkomst. Nu we bij het absoluut niet-kenbare zijn aangeland, komen we bij het filosofische begrip transcendentie.


Transcendentie van ons Zelf

De jacht op ons ‘ik’ kreeg een verrassend verhelderende wending toen we het jagen zelf aan een onderzoek gingen onderwerpen. Met het willen lokaliseren van ons ‘ik’ gaan we ervan uit dat er een concrete en meetbare entiteit bestaat die met het woord ‘ik’ te vangen is. Het concreet kenbare wordt in de filosofie wel aangeduid met het begrip immanentie. Het ‘ik’ blijkt net als veel andere psychologische begrippen echter niet concreet te bestaan ook al is het een door ons allemaal wel ervaren fenomeen. Ik noem het om die reden een transcendent begrip. Veel begrippen in de psychologie zijn transcendent en daarom niet met de gangbare empirische wetenschap te onderzoeken. Vrije wil, bewustzijn, contact, karakter, liefde en onze identiteit (‘ik’), zijn allemaal transcendent. Transcendente realiteiten zijn niet te definiëren of te lokaliseren. Het is verbazingwekkend dat zelfs ons zeer vertrouwde ik-gevoel dat ons een leven lang zo nabij is, niet van onze kenbare immanente wereld is. 

Het onderscheid tussen immanent en transcendent vraagt om een afgrenzing van beide begrippen. Het immanente lijkt een vrij helder begrip en staat eigenlijk voor alles wat voor ons in principe kenbaar is. De materiële wereld om ons heen, de kosmos, ons eigen lichaam, gedrag en onze primaire emoties zijn immanent. Het transcendente staat daar tegenover en omvat alles wat voor ons niet kenbaar is. Het zijn niet alleen de beschreven psychologische begrippen als vrije wil en identiteit die transcendent zijn. Zelfs in de meest nuchtere wetenschap als de wiskunde komen we transcendentie tegen.

Wiskunde is gebaseerd op getallen. Wiskundige formules zijn bewerkingen van getallen. Als we een fruitschaal met appels hebben, kunnen we tellen hoeveel appels er in liggen. De uitkomst is een abstracte weergave van het aantal appels. Zelfs een halve appel kunnen we achter de komma nog meetellen. Ons telkundig vermogen lijkt daarmee een adequaat middel om ons te verhouden met de hoeveelheden die voor ons liggen. Het heeft dan ook lang geduurd voordat de wiskundigen ontdekten dat er getallen zijn die niet als bestaande eenheid kunnen worden weergegeven. Het zijn de transcendente getallen. Het bekendste voorbeeld is het getal π. Omdat we het zelfs niet met miljarden cijfers achter de komma kunnen weergeven (3,141 592 653....), hebben we het maar een naam gegeven. Verreweg de meeste getallen blijken zelfs niet in de kenbare immanente wereld te bestaan! Getallen zijn een uitkomst van ons denken maar zijn grotendeels transcendent. (Pickover, 2009)

Het begrip transcendentie kan alleen in negatieve zin geformuleerd worden, omdat we alleen kunnen zeggen wat het niet is. Net zo min als we de transcendente begrippen kunnen kennen, is het mogelijk om het begrip transcendentie zelf in positieve bewoordingen te formuleren. Onze wereldwijde en eeuwenoude worsteling met het transcendente begrip God sneuvelt dan ook in elke poging om deze in de gekende wereld van het immanente te vertalen. Het is een exercitie waar de mens zich waarschijnlijk tot in lengte van dagen mee zal vermoeien.

Als transcendentie als realiteit niet te formuleren is, komt dan elk bijgeloof voor deze kwalificatie in aanmerking? Moeten we dan aura’s, reïncarnatie, astrologie, de geestenwereld, onze vader in de hemel, geluksprofeten en verlichte goeroes serieus gaan nemen? Dergelijke onzin valt meestal snel door de mand omdat het vage en abstracte verzinsels zijn die aansluitend in een leer, dogma of theorie als concreet immanente objecten weergegeven worden. Ze worden beschreven en benaderd alsof ze concreet bestaan en vallen daarmee door de mand. Het zijn beelden en idealen die niet meer zijn dan gedachtespinsels. De man (Vikram Gandhi) die zich jarenlang voordeed als goeroe Kumaré onthulde uiteindelijk dat hij zijn volgelingen al die tijd voor de gek gehouden had. Op het moment dat hij zich weer toonde in zijn gewone westerse uiterlijke verschijning, viel het beeld van de goeroe in duigen. Zijn discipelen waren diep geschokt. Op dat ene onthullende moment van niet zijn wie hij was, verdiende hij wat mij betreft de titel ‘goeroe’. Vervolgens werd zijn ‘ik’ de man die Kumaré gespeeld had.

Psychologie als wetenschap is in de boeien geslagen door de voorop gestelde definiëring en randvoorwaarden van wat wetenschap mag en behoort te zijn. Deze bepalen dat wetenschap zich moet beperken tot de wereld van het immanente met haar uitgangspunt van het causaliteitsbeginsel. Dit resulteert in de oppervlakkigheid van haar onderzoek. Ze kan zich op voorhand niet inlaten met psychologisch belangrijke begrippen als ‘ik’ en de hiermee samenhangende concepten als identiteit, contact, bewustzijn, keuzevrijheid, intuïtie, inspiratie, intenties, dromen, creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, etc. Dit onvermogen leidde tot de onzinnige titel van een overigens boeiend boek: “Wij zijn ons brein”.


Tot besluit

Nu ik in het eerste artikel van deze reeks het wezen van ons bewustzijn en gewaarzijn heb besproken en in dit tweede de transcendentie van onszelf, kan ik in het afsluitende artikel met de titel “Gestalt in Hypnos” de stap maken naar de bijzondere aard van contact. Hierin zal ik lagen in het contact trachten uit te lichten waar we geen zicht op hebben. Er gebeurt veel meer dan we onder woorden kunnen brengen en daarmee veel meer dan waar we ons bewust van zijn. Het benoemen van ons gewaarzijn is een techniek aan de oppervlakte van het contact dat dient om een proces, dat impliciet aanwezig is en zich aan ons zicht onttrekt, op gang te helpen. Ik wil gaan naar de wereld die we betreden in de ontmoeting met onze cliënten, de wereld van Hypnos.


Literatuur 

Dijksterhuis, Ap: Het slimme onbewuste (2007), Uit geverij Bert Bakker; ISBN 978 90 351 3943 5

Giorgi, Amedo., Fenomenologische grondslagen van de psychologie, 1976; ISBN 90 6009 375 5

Jonas, Hans., 1958; The Gnostic Religion, ISBN 0 8070 5799 1

Heidegger, Martin; Sein und Zeit, 1927 (vertaling : Zijn en Tijd, Mark Wildschut, 1998; ISBN 978 90 6168 630 9)

Lewin, Kurt; Fieldtheory in social science, selected theoretical papers, 1951

Perls, Fritz S, Hefferline, Ralph F., Goodman, Paul: Gestalt Therapy (1951); Penguin Books, New York: ISBN 978 0 939266 24 1

Pagels, Elaine, The Gnostic Gospels 1979; ISBN 978 06 797 2453 7

Wieringa, Jan Philip
Ongezegd Gehoord 1 - Ontwarend Bewustzijn (2012)
Ongezegd Gehoord 3 - Gestalt in Hypnos (2013)

 

© Jan Philip Wieringa, december 2012